| marcus garvey | john harrison | celestinus V | jasper maskelyne | raoul wallenbergh | basil zaharoff | alves reis | sigaren van bloss | moresnet | antonio meucci | pim fortuyn |
| De man die Portugal wou kopen: Alves Reis Valsemunterij op grote schaal is normaal gesproken voorbehouden
aan staten. Door een vijandelijk land te overspoelen met eigen bankbiljetten
wordt de vijandelijke economie totaal ontwricht. In 1928 bracht Stalin
valse Duitse marken en dollarbiljetten op de markt via een in Russische
handen geraakte bank in Berlijn. Ook Hitler zag veel in dit strijdmiddel:
aan zijn monetaire genie Friedrich Walter Bernhard Krüger gaf hij
in de oorlog opdracht tot Operatie Bernhard, gericht op het op de markt
brengen van honderdvijftig miljoen valse Britse ponden en een even illuster
bedrag aan US-dollars. Ook in de hedendaagse internationale verhoudingen
is het spookbeeld van deze vorm van pecuniaire guerrilla niet verdwenen:
een paar jaar geleden luidde Vladimir Zjirinovski nog de alarmklok over
een Amerikaans komplot ter liquidatie van de roebel door middel van stelselmatige
toevoer van artificiële exemplaren door de CIA.
Alves Reis was een vervalser pur sang. Zijn kracht zat
hem niet zozeer in zijn technische kunnen, maar in de intensiteit waarmee
hij zijn creaties voor echt wist te verslijten. Dit talent verried zich
meteen bij zijn eerste grote vervalsing in 1916. Hij was twintig jaar
oud, de Grote Oorlog woedde en Alves Reis dreigde als soldaat te worden
opgeroepen. Om dit te voorkomen huwde hij haastig en solliciteerde hij
naar een overheidsbetrekking in de kolonie Angola. Ter ondersteuning van
zijn sollicitatie voegde hij een diploma van de Polytechnic School of
Engineering in Oxford bij, met graden in onder meer geologie, natuurkunde,
metallurgie, wiskunde, paleologie, elektrische werktuigkunde, chemie en
toegepaste mechanica. Het getuigschrift was met de typemachine en de lijmkwast
in elkaar gezet, maar niettemin goedgekeurd door een bevriende notaris,
die het royaal van stempels had voorzien. In Angola werd hij zakelijk leider van de nationale spoorwegmaatschappij, de Ambacca. Het was een volkomen failliete boedel, ware het niet dat de bedrijfskas net was gespekt met een subsidie van 100.000 dollar uit het moederland ter bestrijding van opgelopen tekorten. Met een deel van die bedrijfsbuffer besloot Alves Reis een gokje op de aandelenmarkt te wagen. Hij verwierf een meerderheidsbelang in de Zuid-Angolese Mijnbouw Maatschappij en kocht zich in bij diverse andere ondernemingen. De mijnbouw in Angola bevond zich toentertijd in een zo mogelijk nog deplorabelere staat dan de spoorwegen, maar zijn positie als grootaandeelhouder bracht Alves Reis in contact met tal van interessante zakenpartners. In 1924 ontmoette hij José Bandeira, vertegenwoordiger van een Nederlandse investeerdersgroep die wel wat zag in toekomstige exploitatie van de Angolese olievelden. Bandeira was de broer van de Portugese gezant in Den Haag en had goede connecties met de Nederlandse high society. Hij organiseerde feestjes voor prins Hendrik en was de amant van de Haagse toneeldiva Fie Carelsen. Bandeira bracht Alves Reis in Den Haag in contact met twee illustere zakenlieden die een cruciale rol zouden vervullen in de toekomstige valsemunterij. Het waren Adolf Gustav Hennies en Karel Marang, beiden even bedreven in de kunst van het bedrog als Alves Reis zelf. Hennies was houder van een Zwitsers paspoort dat zei dat zijn vader een Zwitser was en zijn moeder Braziliaans. Eigenlijk heette hij Johann Georg Adolf Döring en was hij geboren in Friedrichsbrück bij Kassel. In 1909 was hij zijn vrouw en kinderen ontvlucht en werd hij vertegenwoordiger voor Singer naaimachines in Brazilië, levend op een vals paspoort. Tijdens de Eerste Wereldoorlog opereerde Hennies als spion voor de Duitse Abwehr in Den Haag. Zijn geliefde was Annaliese Angold, de eerste vrouwelijke spion in het leger van de Kaiser. De Nederlander Karel Marang leefde ook zo'n schemerbestaan.
Ook hij had tijdens de oorlog goed verdiend aan de Duitsers, onder meer
profiterend van valse diplomatieke paspoorten voor Liberia en Perzië.
Eveneens had hij een schijntitel weten te kopen, zodat hij voluit Karel
Marang van IJsselvere heette. Deze naam opende vele deuren voor hem. Zo
was Marang door prins Hendrik benoemd tot erelid van het Rode Kruis en
droeg hij een hoge onderscheiding van de Portugese regering. Alves Reis
omschreef hem als 'een typische Nederlandse handelaar, eerder slim dan
intelligent, maar zeer bedreven in zakendeals'. Portugal had, net zoals vele andere landen, al lang de gouden standaard opgegeven. Bij iedere economische crisis werd er domweg meer geld bijgedrukt, zoals bijvoorbeeld ook in Weimar-Duitsland te doen gebruikelijk. Tussen 1918 en 1923 vond er een verzesvoudiging plaats van de hoeveelheid in circulatie gebrachte escudo's. De grote attractie van de Portugese Bank was in de ogen van Alves Reis dat de bank oude biljetten niet vernietigde, maar simpelweg waste, streek en weer in circulatie bracht. Tevens ontbrak een deugdelijk controlesysteem op dubbele nummers. Dit prikkelde Alves Reis' fantasie. Hij rekende uit dat hij makkelijk driehonderd miljoen aan valse escudo's in omloop zou kunnen brengen zonder dat het iemand zou opvallen. De vraag was alleen: wie kon die biljetten drukken? Voor dat doel benaderde Alves Reis na zijn vrijlating wederom Hennies, Bandeiras en Marang. Via gekochte kranteartikelen (geen ongebruikelijke praktijk in Portugal) had Alves Reis inmiddels een rehabilitatieprogramma voor zichzelf opgezet, waarin hij als het slachtoffer van een komplot werd afgeschilderd. Hennies en Marang vielen daar blijkbaar ook voor. Zij toonden zich zeer geïnteresseerd toen Alves Reis hen vertelde dat hij door de Bank van Portugal was belast met een geheim project ter redding van de Angolese economie. In ruil voor een lening van een miljoen Britse ponden aan diverse Angolese maatschappijen mochten investeerders namens de bank in het geheim voor een even hoog bedrag aan escudo's laten drukken en in Angola investeren. Portugal en Angola gebruikten weliswaar dezelfde escudo-biljetten, maar de biljetten voor Afrikaans gebruik kregen een stempel met 'Angola' erop. Angolese escudo's waren in Portugal geen wettig betaalmiddel. Hennies en Marang waren enthousiast. Wellicht werden zij financieel gesteund door de Duitse regering. Duitsland was sinds Versailles beroofd van zijn Afrikaanse koloniën en zocht verwoed naar nieuwe kansen op uitbreiding van de Heimat. Overname van de failliete doch in potentie lucratieve Portugese boedel in Afrika zou daarvoor ideaal zijn. Het was Marang die de drukorder uiteindelijk regelde. Gewapend met een vals contract van de hand van Alves Reis klopte hij eerst aan bij Enschedé en Zonen in Haarlem, de oudste gelddrukker van de wereld. Daar verwees men Marang door naar de Londense gelddrukker Waterlow & Sons. Die had uiteindelijk al eerder Portugees geld gedrukt. De directeur van het bedrijf, sir William Waterlow, was vertrouwd met geheime drukorders van regeringen. Waterlow voerde op dat moment een felle concurrentieslag met branchegenoten, en was zo blij met deze nieuwe opdracht dat niet eens de moeite werd genomen om de contracten van Alves Reis aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het mooiste van alles was dat Waterlow nog drukplaten had liggen van diverse escudo-biljetten, iets wat Alves Reis en Marang niet wisten. In feite werd er dus echt geld gefabriceerd. Het rookgordijn dat Alves Reis en Marang wisten op te trekken, was zo verblindend dat Sir William zelfs de goede raad van zijn vertegenwoordiger in Lissabon in de wind sloeg. Die waarschuwde zijn hoofdkantoor dat er iets mis moest zijn met de deal. Het was immers niet de Bank van Portugal, maar de Banco Ultramarino die zich normaal gesproken ontfermde over de produktie van nieuw geld voor de overzeese Portugese gebiedsdelen. Waterlow reageerde geprikkeld op die waarschuwing: 'Uw telegram toont aan dat u uw positie niet waardeert', telegrafeerde hij naar de man. Een brief van Waterlow aan president Camacho Rodrigues van de Bank van Portugal waarin hij de afspraken met Marang bevestigde, kwam wonderwel nooit aan. In grote leren tassen kreeg Marang in 1925 de eerste
miljoenen versgedrukte escudo's mee - zonder het ongewenste stempel 'Angola'.
De bende had Waterlow op het laatste moment laten weten dat dit toch niet
nodig was. Aanvankelijk bracht Marang de koffers met miljoenen escudo's
zelf naar Portugal, gebruik makend van zijn valse diplomatieke paspoorten,
die hem vrije doorgang bezorgden. Later werd dit koerierswerk overgelaten
aan de Venezolaanse gezant in Lissabon. De geheime financiële injecties deden de Portugese economie zonder meer goed. Doordat er meer geld circuleerde, waren leningen makkelijker te krijgen,kwamen er meer banen, werd er meer gebouwd en schoot de verkoop in de winkels omhoog. In feite had het land het nog nooit zo goed gehad. Ondertussen ging de Bank van Angola & Metropole onverdroten voort met de aankoop van aandelen in de Bank van Portugal. Het krankzinnige schema van Alves Reis leek te werken. Een kink in de kabel was dat de acquisitie-ijver de attentie
trok van andere banken. Die lanceerden een keiharde aanval in de bevriende
pers tegen de nieuwe concurrent. De krant O Seculo opende de aanval met
een serie verhalen waarin de bank van Alves Reis werd afgeschilderd als
een creatie van duistere investeerders uit Nederland en Duitsland, die
uit zouden zijn op de overname van de Portugese bezittingen in Afrika.
Tegelijkertijd kregen José Bandeira en zijn broer Antonio, Portugees
gezant in Den Haag, via diplomatieke kanalen te horen dat Gustav Hennies
een geheim agent van de Duitsers was. Naar schatting van deskundigen hadden Alves Reis en de
zijnen zo'n 105 miljoen escudo's (zo'n 1.050.000 pond, een gigantisch
bedrag in die tijd) wederrechtelijk in de Portugese economie gepompt.
Dit bericht leidde tot felle reacties. In mei 1926 lanceerde generaal
Gomes da Costa in Braga een militaire machtsovername. Een regering met
dictatoriale volmachten trad aan, met de econoom Antonio de Oliveira Salazar
uit Coimbra als minister van Financiën, later als premier en fascistisch
dictator. Salazar maakte het terugdringen van de inflatie tegen welke
sociale prijs dan ook tot zijn eerste prioriteit. Ook in Nederland werd de zaak nauwlettend gevolgd. Fie Carelsen verscheen dramatisch in het zwart op het proces tegen Marang in Den Haag. De expert van het Openbaar Ministerie noemde de affaire 'het werk van een genie'. Marang kreeg elf maanden. Hij begon daarna een nieuw leven in Parijs, waar hij zijn makker Hennies ook trof. Hennies werd nooit voor zijn deelname aan de valsemunterij
bestraft, hoewel zijn ex-minnares Annaliese Angold hem wel bij de Duitse
politie aangaf. Toen waren de nazi's echter al aan de macht, en die stelden
dat Hennies 'zo veel voor de Heimat had betekend' dat hij niet kon worden
gearresteerd. Toch stierf hij in behoeftige omstandigheden, fantaserend
over een perfect roulettesysteem om het casino van Monte Carlo te laten
springen. Bronnen: |