| Marcus Garvey, voorlopig president
van Afrika
Als u zwart bent en in de USA heeft gewoond, kent u Marcus
Garvey allicht. Voor de meeste anderen is hij echter een nobele onbekende
geworden. Toch verdient hij meer respect en bekendheid. Hij was immers
jàren voor Malcom X of Martin Luther King, dé grote voorvechter
voor de zwarten in de USA. Alleen deed hij dat met een flinke scheut excentriciteit,
waardoor zijn entourage meer leek op de hofhouding van een kleine operettestaat
dan dat van een beweging voor gelijke kansen voor zwarten. Dit is het
verhaal van de pionier van de zwarte bevrijdingsbeweging die op goeie
voet stond met de Ku Klux Klan en die de aanzet gaf tot wat uiteindelijk
de rastafari-beweging zou worden.

Marcus Garvey bracht de laatste jaren van zijn leven
door in betrekkelijke armoede en eenzaamheid. Een zeepkist in de Speakers'
Corner in Hyde Park te Londen, was zijn laatste podium. De kleine man
met de grote idealen hield nog vol vuur zijn redevoeringen, maar zijn
publiek was geslonken van honderdduizenden tot niet meer dan een handvol
toevallige voorbijgangers. Toen hij in 1940 overleed op 53-jarige leefdtijd,
was er geen staatsbegrafenis voor de man die zich jarenlang de "voorlopige
president van Africa" noemde.
Zijn ideeën waren ook te radicaal om zich ooit in 1 mensenleven te
laten verwezenlijken. De politiek was zijn werkterrein maar politiek is
een zaak van compromissen en dààr moest Garvey niets van
hebben. Zijn denkbeelden waren glashelder. Ooit was het zwarte ras door
de blanken in slavernij gevoerd naar Noord-Amerika en ook al was die slavernij
inmiddels wettelijk opgeheven, nooit zou het zwarte ras zijn gelijke positie
ten opzichte van andere rassen heroveren, als het niet terugkeerde naar
het moedercontinent Afrika. "Afrika voor de Afrikanen" was zijn
leuze. Amerikaanse zwarten moesten zich verenigen en streven naar de oprichting
van een nieuwe krachtige Afrikaanse staat, waarnaar ze uiteindelijk allemaal
zouden emigreren. Van de "smeltkroes van rassen", zoals Amerika
in de jaren '20 al werd genoemd, wilde Garvey niet weten. Hij meende dat
pogingen van zwarten om naast de blanke bevolking een gelijke positie
te veroveren, tot mislukken gedoemd waren. De geschiedenis heeft hem tot
op heden trouwens gelijk gegeven : tot op vandaag verdient de gemiddelde
zwarte amper iets meer dan de gemiddelde blanke in de USA.
Marcus Moziah Garvey werd in 1887 geboren in Jamaica, een eiland dat in
die tijd in feite een driekastensysteem kende: blank, mulat en zwart.
De drie groepen leefden zonder veel problemen samen en Garvey, die al
jong politiek actief was, werd zich dan ook maar echt bewust van de onderdrukking
van de zwarten, toen hij Jamaica verliet. Hij had voor drukker gestudeerd,
maar kreeg geen werk meer nadat hij op zijn twintigste een (tevergeefse)
drukkersstaking voor een hoger loon had geleid. De armoede en rechteloosheid
van de zwarte bevolking van Costa Rica, Panama en andere Middenamerikaanse
landen die Garvey bezocht vanaf 1910, gaven hem het doel dat hij tot aan
zijn dood zou blijven nastreven: de bevrijding en de verheffing van het
zwarte ras.
Terug op Jamaica stichtte hij de UNIA, de Universal Negro Improvement
Association. De denkbeelden waarop hij zijn organisatie stoelde, die op
haar hoogtepunt een miljoen leden telde, waren overigens niet helemaal
nieuw. Al veel eerder hadden intellectuelen gepleit voor een hernieuwd
zwart zelfbewustzijn en een terugkeer naar Afrika. Maar hun boeken en
geschriften bereikten de grotendeels ongeletterde massa nauwelijks of
niet. Garvey daarentegen was een begenadigd redenaar en kon de emoties
van zijn toehoorders bespelen als geen ander. Hij wist mensen enthousiast
te maken met zijn meeslepende toespraken. Zijn grote doorbraak kwam er
in 1916, toen hij neerstreek in New York. Er heerste een enorme werkloosheid
onder de zwarte bevolking in het Noorden van de USA; een perfecte voedingsbodem
voor Garvey's gespierde taal. Hij had het met hen niet over aanpassing
of integratie maar over het trotse verleden van het zwarte ras en de gouden
toekomst die het te wachten stond. Garvey reisde door heel de USA en stichtte
overal afdelingen van zijn
UNIA. In New York werden conferenties gehouden van vertegenwoordigers
van zwarten uit de hele wereld en de zwarte New Yorkse wijk Harlem was
het toneel van militair aandoende parades van UNIA-leden. Garvey gaf een
krant uit, de Negro World, die hij voor een belangrijk deel zelf volschreef.
Hij richtte ook een scheepvaartmaatschappij op, The Black Star Shipping
Company, die als doel had om handel te drijven en zwarte passagiers te
vervoeren tussen Afrika en Amerika.

Aandelen in deze maatschappij werden alleen verkocht
aan zwarten. Economische onafhankelijkheid was immers een eerste voorwaarde
voor politieke onafhankelijkheid. Ook religieus moest het zwarte ras zich
van het blanke juk bevrijden. De in 1923 gestichte African Orthodox Chruch
riep haar leden op een zwarte Jezus en een zwarte Maria te vereren. Garvey
mat zichzelf de titel aan van "voorlopig president van Afrika"
en zorgde voor de bij zijn nieuwe status horende operetteuniformen. Er
kwam tevens een rood-zwart-groene vlag en een volkslied.
Toch zien we tegenwoordig geen verenigd Afrika, geen politieke en economische
onafhankelijkheid van het "zwarte ras". Wat liep er fout ?
Garvey was geen man van compromissen. Hij hield niet van nuances: zijn
denkbeelden waren letterlijk zwart-wit. Zwarte leiders die gematigder
ideeën hadden dan de zijne, noemde hij verraders. Rasgenoten met
een lichtere huidskleur door blank bloed, minachtte hij. Zwarte kranten
die zijn beweging niet steunden hadden zich verkocht aan het blanke kapitaal.
Met zijn geweldige redenaarstalent kreeg hij de steun van de massa, maar
in zijn beweging was alleen plaats voor volgelingen en niet voor intellectuele
managers en politici. Het hoofdkwartier van de UNIA was altijd daar waar
Garvey zich op dat moment toevallig bevond. Terwijl hij doorging met het
werven van aanhangers en geld, besefte hij niet dat hij de enige kurk
was waar zijn beweging op dreef. Zijn scheepvaartmaatschappij kocht eerst
één schip, nauwelijk drijvend en in staat de haven van New
York te verlaten, kocht er nadien nog twee en ging door dit slechte beheer
uiteindelijk op de fles. Met de andere zakelijke activiteiten van de UNIA
ging het al niet veel beter.
Garvey maakte met zijn uitdagende toespraken ook veel vijanden onder zowel
blank als zwart. Velen beschouwden hem als een volksmenner en een fascist.
Het valt niet te ontkennen dat zijn beweging en zijn denkbeelden enigszins
fascistisch aandeden. Alle elementen waren aanwezig: van de bloed-en-bodem
theorie tot een organisatie waarin de gehoorzaamheid aan de leider het
hoogste goed was en de geringste afwijking van de ideologie iemand meteen
tot een verdacht individu transformeerde. Garvey zelf deed geen moeite
om dit beeld te verzachten: hij had zelfs contacten met de Ku Klux Klan.
Garvey en de Klan hadden immers dezelfde ideeën: geel bij geel, blank
bij blank en zwart bij zwart. Ze verschilden hooguit van mening over welk
ras nu superieur was. In die tijd waren de begrippen racisme en fascisme
trouwens ook niet zo beladen als tegenwoordig. De wereld had Stalin, Hitler
en Mussolini immers nog voor de boeg ! Met de groei van de UNIA echter,
nam de weerstand ertegen, bij het welvarender en beter opgeleide deel
van de zwarte bevolking van de USA toe.

Toch waren het niet de steeds heftigere botsingen met
de zwarte elite en de zwarte pers die Gavery ten val brachten. Het gevaar
kwam voor hem uit een totaal andere hoek. De groei van de UNIA baarde
het ministerie van Jusititie grote zorgen. Justitie hield Garvey scherp
in het oog omdat men hem - ten onrechte, zoals later zou blijken - verdacht
van socialistische sympathieën. In die tijd, en eigenlijk ook nu
nog, was dat een zeer vies woord in de USA. Alles wat enigszins links
was, werd toen beschouwd als staatsgevaarlijk. Justitie zocht en vond
dan ook een stok om de hond te slaan. In 1922 werd Garvey, samen met drie
medewerkers, gearresteerd op beschuldiging van zwendel. De aanklacht was
dubieus en het bewijsmateriaal nog dubieuzer. Het kwam er op neer dat
Gavery's organisatie er van werd beschuldigd via de post pamfletten te
hebben verstuurd die de geadresseerden aanspoorden om voor 5 $ per stuk
aandelen te kopen in de Black Star Shipping Company. De redenering van
Justitie was dat Garvey wist dat deze aandelen nooit 5 $ konden waard
zijn en dat hij dus het publiek bedrogen had. Was deze aanklacht dan al
mager, tijdens het slepende proces dat er op volgde, waarbij Garvey met
zijn welsprekendheid zijn eigen verdediging voerde, kwam nooit onomstotelijk
vast te staan dat er daadwerkelijk zulke pamfletten waren opgestuurd.
Wel werd duidelijk dat er enkele getuigen tegen Garvey door Justitie zorgvuldig
waren geïnformeerd over wat ze moesten zeggen en dus een valse verklaring
aflegden. Het was, kortom, een schijnproces. Het vonnis was dan ook, zoals
te verwachten was, buiten alle proporties: vijf jaar cel !

In 1925 werd Garvey, ondanks hevige protesten, zelfs
van de kant van blanke kranten, gevangen gezet in Atlanta. De New Yorkse
krant "Evening Bulletin" schreef "Garvey is een neger,
maar zelfs een neger heeft het recht dat er waarheid over hem gesproken
wordt. Garvey is belachelijk gemaakt en voor clown gezet door sommige
New-Yorkse kranten sinds hij naar deze stad kwam. Hij deed veel rare dingen,
dat is waar, maar hij heeft ook veel goeds gedaan. Eerlijkheid gebiedt
ons toe te geven dat hij zijn ras een ideaal bood … Had deze man
een faire kans gekregen, dan waren zijn zakelijke activiteiten allicht
een succes geweest en had hij de rampspoed die hem nu voor de rechter
heeft gebracht, kunnen vermijden."GARVEY OP WEG NAAR DE GEVANGENIS
Met Garvey achter de tralies ging het met het UNIA langzaam bergaf. Vanuit
zijn cel bleef hij onvermoeibaar zijn pamfletten de wereld insturen, maar
de beweging kon het moeilijk zonder zijn lijfelijke aanwezigheid stellen;
iets wat hij onbewust zelf in de hand had gewerkt. Nadat hij de helft
van zijn straf had uitgezeten, werd Garvey vrijgelaten en meteen het land
uitgezet. Hij trok naar Jamaica en begon er met nieuwe energiezijn geboorte-eiland
uit te bouwen tot het nieuwe hoofdkwartier van de UNIA. Nog eenmaal laaiden
de UNIA-idealen op en slaagde hij er in een 6e internationale UNIA-conferentie
in Kingston te organiseren (de vorige 5 waren in New York doorgegaan).
Zijn afwezigheid in de USA had echter een machtvacuum gecreeerd en de
UNIA die in 1929 in Kingston bijeenkwam was hopeloos verdeeld. Groeperingen
splitsten zich af, er werden ordinaire rechtszaken gevoerd over het beheer
van de partijkas en Marcus Garvey moest zelf ondervinden dat hij niet
langer werd beschouwd als de enige en onbetwiste leider van de beweging
die hij zelf had opgericht. Daarna viel stilaan het doek voor de UNIA.
Hoewel Garvey zich nog roerde op het locale, Jamaicaanse politieke toneel,
was hij zijn plaats op het wereldforum kwijt. Na een nieuwe dreiging van
rechtszaken, vluchtte hij naa Groot-Brittanië om vandaar uit zijn
idealen in Europa te bepleiten, onder andere bij de volkenbond, de voorloper
van de UNO. Maar zonder een enthousiast publiek, dat hij met zijn vlammende
toespraken tot extase kon brengen, was Marcus Garvey niet meer dan één
van de velen die in Hyde Park hun ideeën aan de man probeerden te
brengen. Het ideaal van een vrij Afrika moest nu concurreren om de aandacht
van het publiek met een verbod op loslopende honden en gelijke rechten
voor linkshandigen.
Pas tien jaar na zijn dood onder kommervolle omstandigheden werd zijn
lichaam teruggebracht naar Jamaica, waar hij alsnog een staatsbegrafenis
kreeg. Sindsdien wordt Marcus Garvey, de "zwarte Mozes", beschouwd
als een man die, hoewel niet zonder fouten, één van de belangrijkste
pioniers was van de emancipatie van het zwarte ras.
GARVEY'S PORTRET WERD MEEGEDRAGEN OP
DE MILLION MAN MARCH.
Bronnen:
Piet Zeeman: Marcus Garvey wilde president van Afrika worden (1989)
Amy Jacques-Garvey: Philosophy & opinions of Marcus Garvey (1982)
Rodney Carlisle: The Roots of Black Nationalism (1975) |